Votre divorce homologué en 6 semaines!
Uw echtscheiding op 6 weken bekrachtigd!

Mediation & Arbitration & Tax

Fast and confidential smart resolution of litigation!

Blog

Gerald Driesen, belastingconsulent,  en zijn wekelijkse fiscale rechtspraak selectie.                       Gérald Driesen, conseil fiscal, et sa sélection hebdomadaire de jurisprudence fiscale.

Vos dons de soutien sont les bienvenus, uw steunende giften zijn welcome.Share tools and donate tool downstair.


view:  full / summary

Introduction recours fiscal: date d'envoi du recommandé par la poste selon la cour de cassation

Posted on December 30, 2018 at 12:00 AM Comments comments (2)

En matière fiscale, l'article 1385 decies du C.J.  stipule :

 

"1[Contre l'administration fiscale, et dans les contestations visées à l'article 569, alinéa 1er, 32o, la demande est introduite par requête contradictoire.

Le titre Vbis du livre II de la quatrième partie est d'application, à l'exception des articles 1034ter, 3o, et 1034quater.

Une copie de la décision contestée doit être jointe à chaque exemplaire de la requête ou de la citation, à peine de nullité."

L'article 1034quinqies est donc d'application  qui stipule: 

 

"1[La requête, accompagnée de son annexe, est envoyée, en autant d'exemplaires qu'il y a de parties en cause, par lettre recommandée au greffier de la juridiction ou déposée au greffe.]1"

Or l'arrêt de la cour de cassationdu 13 novembre 2017 (N° S.17.0028.F) - section sociale il est vrai - décide que c'est la date d'envoi du recommandé qui forme l'interruption civile  à la lecture conjointe de l'article 1034 quinties du CJ et de l'article 2244 §1er du CC  et plus précissément :

Aux termes de l’article 2244, § 1er, alinéa 1er, du Code civil, une citationen justice, un commandement ou une saisie, signifié s à celui qu’on veut empêcherde prescrire, forment l’interruption civile.

L’article 704, § 1 er , du Code judiciaire dispose que, sans préjudice desrègles particulières, étrangères à l’espèce, dont il réserve l’application, les

demandes principales peuvent, devant le tribunal du travail, être introduites par une requête contradictoire conformément aux article s 1034 bis

à 1034 sexies

En vertu de l’article 1034quinquies , alinéa 1er, du même code, la requête est, en autant d’exemplaires qu’il y a de parties en cause, envoyée par lettrerecommandée au greffier de la juridiction ou déposée au greffe.

Il suit de ces dispositions qu’une demande qui peut être introduite par une requête contradictoire est soumise au tribunal du travail, soit lorsque cette requêteest envoyée au greffe par lettre recommandée, soit lorsqu’elle y est déposée.

La date de l’envoi du pli recommandé doit, dès lors, dans la première deces hypothèses, être prise en considération pour déterminer si la requête forme l’interruption civile visée à l’article 2244, § 1 er, , alinéa 1er, , du Code civil.

L’arrêt, qui constate que la requête par laquelle le tribunal du travail a étésaisi a été envoyée au greffe de cette juridictionpar lettre recommandée le 14octobre 2011 mais qui lui dénie l’effet interruptif de la prescription prévue à l’article 15 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, qui, selon ses constatations, « expirait le 14 octobre 2011 », au motif qu’elle a été « reçue augreffe le 17 octobre 2011 », viole les dispositions légales précitées.

Le moyen est fondé."

Gérald Driesen, Conseil fiscal.






Gebrek aan aangifte - minimale belastbare basis - artikel 342 3 WIB92

Posted on December 27, 2018 at 7:05 PM Comments comments (0)

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dd. 18.06.2018 - Eiseres houdt voor dat overmacht zou hebben belet haar aangifte in dienen. De aangifteplicht berust bij haarzelf en zij kan die niet afwentelen op een door haar gekozen accountant, boekhouder of andere gevolmachtigde. Terecht werd aanslag van ambtswege toegepast en terecht werd de belastbare basis van art. 342 §3 WIB92 genomen, zijnde het wettelijk minimum. Terecht werd bij reeds tweede overtreding van niet indiening van aangifte een belastingverhoging van 20% opgelegd.

 

Absence de déclaration - Base imposable minimale - Article 342, §3 CIR 92

Posted on December 27, 2018 at 7:05 PM Comments comments (0)

Jugement du Tribunal de 1ère instance d'Anvers du 18.06.2018 - La contribuable soutient que c’est la force majeure qui l’a empêchée de déposer sa déclaration. L’obligation d’introduire une déclaration repose sur la contribuable elle même, et elle ne peut s’en décharger sur un comptable, un expert comptable, ou tout autre mandataire. C’est à bon droit qu’il a été procédé à l’imposition d’office, et c’est à bon droit qu’il a été fait usage de la base imposable visée à l’article 342, §3 CIR 92, c’est-à-dire le minimum légal. C’est à bon droit qu’un accroissement d’impôt de 20% a été infligé dès la deuxième infraction à l’obligation d’introduire une déclaration.

 

VenB Beroepskosten

Posted on December 27, 2018 at 7:00 PM Comments comments (0)

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Luxemburg dd. 03.01.2018 - Verschillende kosten werden door de administratie afgewezen. 1. Aftrek van de kosten met betrekking tot de jachtchalet. De kosten werden gemaakt in het kader van een geschil over een jachtchalet. Die was gebouwd door de nv T. op de grond van eiseres zonder stedenbouwkundige vergunning, zodat eiseres evenals de nv T in verdenking werden gesteld. De Belgische staat beweert dat de bedragen die aan een advocaat werden betaald om zowel een boete uit hoofde van een inbreuk op een strafwet als de uitvoering ervan te vermijden, geen beroepskosten vormen.De verweerkosten die een onderneming maakt in het kader van een strafrechtelijke procedure in het kader waarvan zij dreigt te worden veroordeeld tot financiële boetes, hebben een oorzakelijk verband, zo niet met de verwerving van een belastbaar inkomen, dan wel met het behoud ervan. 2. Aftrek van kosten met betrekking tot het gebouw in Knokke. Standpunt van eiseres De kosten waarvoor de aftrek wordt gevorderd, zijn de afschrijvingen, onroerende voorheffing en kosten voor mede-eigendom. Eiseres is van mening dat het om professionele activa gaat. Het feit dat het appartement niet wordt verhuurd en dat het niet bewoond is, staat de BELGISCHE STAAT niet toe om tot een gebrek aan professioneel gebruik van het onroerend goed te besluiten. Opnieuw verwijzend naar artikel 49 WIB92 herhaalt de rechtbank dat de administratie niet bevoegd is om de (economische) opportuniteit of het (economische) nut van de kosten te beoordelen: zij kan de belastingbetaler in dit opzicht niet vervangen.In het onderhavige geval is de eisende nv een vastgoedvennootschap en hebben de uitgaven waarvan de aftrek wordt gevorderd betrekking op de onroerende voorheffing, de kosten voor mede-eigendom en de afschrijving van het gebouw. 3. Aftrek voor risicokapitaal Standpunt van eiseres Eiseres merkt op dat het een vastgoedvennootschap is die haar verschillende activa heeft verworven om ze op lange termijn rendabel te maken, dat de aangekochte landbouwgrond een bouwterrein kan worden waarop gebouwen kunnen worden opgetrokken. Volgens haar is het onjuist te stellen dat in dit geval aan de concrete voorwaarde zou zijn voldaan. Bovendien genereert landbouwgrond volgens haar huurinkomsten. In bepaalde gevallen bestaan er ook pachtovereenkomsten. Aangezien de uitsluiting volgens de administratie betrekking heeft op de activa die op geen enkele manier worden gebruikt door het bedrijf dat feitelijk door de vennootschap wordt geëxploiteerd, kan ze volgens de eisende nv dan ook niet beweren dat de verwerving van grond door een vastgoedvennootschap om die in de toekomst winstgevend te maken, vreemd zou zijn aan de professionele activiteit van de vennootschap. Bovendien genereren "houtfondsen" periodiek een bedrijfsinkomen bij de verkoop van hout op stam.Volgens de staat moeten deze goederen, omdat zij als belegging zijn verkregen en niet als investering, uit de berekeningsgrondslag worden uitgesloten op grond van hun niet-productieve karakter. Na onderzoek van de voorwaarden van artikel 205 ter, 1 WIB 92, merkt de rechter op dat er in het kader van de abstracte voorwaarde geen sprake is uitzonderlijke inkomsten en dat er in het licht van de concrete voorwaarde geen sprake is van activa die passief worden aangehouden. De eisende nv is feitelijk hoofdzakelijk een vastgoedvennootschap. Uit de stukken van het dossier blijkt echter dat het bedrijf in de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 hout heeft verkocht.Dergelijke inkomsten kunnen niet als uitzonderlijk worden aangemerkt en kunnen evenmin als passief aangehouden activa worden beschouwd. Indien de houtfondsen waarschijnlijk, althans gedeeltelijk, als belegging worden aangehouden, kan daaruit niet worden afgeleid dat ze van nature normaal niet zijn bedoeld om een ??belastbaar periodiek inkomen te genereren. Het verzoek is gegrond.

 

IS Frais professionnels

Posted on December 27, 2018 at 7:00 PM Comments comments (0)

Jugement du Tribunal de 1ère instance de Luxembourg du 03.01.2018 - Différents frais ont été rejetés par l’administration. 1. Déduction des frais relatifs au chalet de chasse. Les frais ont été exposés dans le cadre d’un litige concernant un chalet de chasse. Ce pavillon a été construit par la S.A. T. sur le terrain de la demanderesse sans permis d’urbanisme, de sorte que la demanderesse a été mise en prévention au même titre que la S.A. T. L’ETAT BELGE soutient que les sommes payées à un avocat pour éviter tant une peine d’amende du chef d’infraction à une loi pénale que son exécution, ne constituent pas des frais professionnels. Les frais de défense exposés par une société dans le cadre d’une procédure pénale dans le cadre de laquelle elle risque la condamnation à des sanctions pécuniaires, présente un lien de causalité si pas avec l’acquisition de revenus imposables, tout au moins avec la conservation de revenus imposables. 2. Déduction des frais relatifs à l’immeuble de Knokke. Position de la demanderesse. Les frais dont la déduction est revendiquée sont l’amortissement, le précompte immobilier et les charges de copropriété. Elle considère qu’il s’agit d’un actif professionnel. La circonstance que l’appartement ne soit pas loué et qu’il ne soit pas occupé ne permet pas à l’ETAT BELGE d’en déduire une absence d’utilisation professionnelle de ce bien. Référant à nouveau à l’article 49 CIR 92, le tribunal rappelle que l’administration n’a pas le pouvoir d’apprécier l’opportunité (économique) ou l’utilité (économique) des frais : elle ne peut se substituer au contribuable à cet égard. En l’espèce, la S.A. demanderesse est une société immobilière et les frais dont la déduction est postulée concernent : le précompte immobilier, des charges de copropriété et les amortissements pratiqués sur l’immeuble. 3. Déduction pour capital à risque. Position de la demanderesse. La demanderesse relève qu’elle est une société immobilière qui a acquis ses différents biens en vue de les rentabiliser à terme, que les terrains agricoles achetés peuvent devenir des terrains à bâtir sur lesquels des constructions pourront être érigées. Selon elle, il est inexact de considérer que la condition concrète serait réalisée en l’espèce. En outre, les terrains agricoles sont, selon elle, générateurs de revenus locatifs. Dans certains cas, il existe en outre des baux à ferme. Dès lors que selon l’administration, l’exclusion vise les actifs non affectés de près ou de loin à l’entreprise effectivement exploitée par la société, elle ne peut, selon la S.A. demanderesse prétendre que l’acquisition de terrains par une société immobilière, en vue de les rentabiliser dans le futur serait étrangère à l’activité professionnelle de la société. Par ailleurs, les « fonds de bois », sont périodiquement générateurs de revenus d’exploitation lors de la vente de bois sur pied. Pour l’Etat, dès lors que ces biens ont été acquis à titre de placement et non d’investissement, ils doivent être exclus de la base de calcul en vertu de leur caractère non productif. Examinant les conditions de l’article 205 ter, 1er CIR 92, le tribunal relève que, au regard de la condition abstraite, il n’est pas question de revenus exceptionnels et au regard de la condition concrète, il n’est pas question d’actifs détenus passivement. LA S.A. demanderesse est effectivement, principalement, une société immobilière. Il apparaît, cependant, des pièces de son dossier qu’au cours des années 2012, 2013, 2014 et 2015, la société a procédé aux ventes de bois. De tels revenus ne peuvent pas être qualifiés d’exceptionnels et on ne peut pas non plus considérer qu’il soit question d’actifs détenus passivement. Si les fonds de bois sont très probablement détenus, pour partie à tout le moins, à titre de placement, on ne peut, pour autant, en conclure qu’ils ne sont, par leur nature, normalement pas destinés à produire un revenu périodique imposable. La demande est fondée.

 

PB Fokken van paarden: hobby of beroep

Posted on December 27, 2018 at 6:55 PM Comments comments (0)

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Luik dd. 08.03.2018 - Eiser beschikt over 19 boxen voor paarden, 10 paarden, waarvan 4 aangekocht in 2012, waarvan er twee in hetzelfde jaar werden verkocht, één voor 25.000 euro en het andere voor 750.000 euro. Eiser dient zijn aangifte in de personenbelasting in voor het aanslagjaar 2013 binnen de wettelijke termijn van artikel 305 van de WIB 1992; hij geeft geen beroepsinkomen aan. De BBI bezoekt het pand en concludeert dat de activiteit van eiser valt onder georganiseerde, rendabele en herhaalde activiteiten, waarbij er middelen worden ingezet om een lucratieve activiteit op het vlak van de paardenfokkerij te realiseren en om hem als professioneel ruiter te beschouwen. Hij wordt dan ook belast en als btw-plichtig beschouwd. Eiser betwist niet dat hij al zijn tijd en energie investeert in het trainen van paarden. Men dient echter op te merken dat eiser deze activiteit op voltijdse basis met grote flexibiliteit uitoefent, bij of in de buurt van zijn huis, op het land en op een boerderij die hij van zijn ouders heeft gekregen, met beperkte middelen en in een geest die niets te maken heeft met speculatie of winstbejag. Niets in het administratieve dossier wijst erop dat de hobby van eiser een professioneel karakter heeft, vooral omdat hij aantoont dat hij met weinig middelen veel kan doen en voordeel kan halen uit de paarden waar hij voor zorgt, waarbij hij gebruikmaakt van klassieke methodes, een rustieke, ambachtelijke en weinig ontwikkelde structuur, die bijna vertrouwelijk is, zelfs verouderd en niet aangepast aan de eisen van een clientèle van traditionele maneges en geavanceerde stallen, die collectief, georganiseerd en commercieel beheerd worden en waarvoor reclame wordt gemaakt en de hulp van meer of minder gekwalificeerd personeel wordt ingeroepen. Wat doorslaggevend lijkt, is het feit dat eiser alleen zijn uitgaven dekt, zoveel mogelijk probeert zichzelf te financieren en zijn grenzen erkent, die niet compatibel zijn met wat een beroep en een professionele loopbaan vereisen. De rechtbank merkt op dat het bezit van een vrachtwagen, ook al is die gepersonaliseerd, slechts het vervoer van de paarden aantoont, waarvan het aantal reeds bekend is bij de rechtbank, die zich ervan bewust is dat die het eiser mogelijk maakt aan wedstrijden deel te nemen. Daar houdt de relevantie op. Uit al die elementen volgt dat de deelname van eiser aan jumpings valt onder een privéactiviteit, waarbij hij kwaliteit nastreeft en die hij zoveel mogelijk zelf financiert, door middel van paarden die voor het grootste deel zijn eigendom zijn en die hij thuis alleen verzorgt en traint, op zelfstandige basis, als liefhebber, in weinig verfijnde faciliteiten, zonder winstbejag of winstoogmerk, wat elke belasting in zijn hoofde uitsluit. De geïsoleerde verkoop van 'D' in 2012 tegen een uitzonderlijke prijs vertoont hetzelfde uitzonderlijke karakter in de manier waarop eiser zijn privévermogen beheert en is niet van dien aard dat het die conclusies zal wijzigen, noch het feit dat eiser een ruiter en een niet-professionele fokker blijft. De ontheffing van de betwiste aanslag, vermeerderingen inbegrepen, dient te worden bevolen. Met betrekking tot de kwalificatie als economische activiteit van de door eiser verrichte handelingen krachtens artikel 4 van het btw-wetboek. Zelfs zonder winstoogmerk stelt eiser, zoals gezegd, herhaalde handelingen op een gebruikelijke, permanente en zelfstandige wijze, wat rechtvaardigt dat hij wegens dezelfde redenen aan de btw dient te worden onderworpen. Eiser moet zich dus registreren bij de btw, driemaandelijkse btw-aangiftes indienen, belasting betalen over zijn uitgaande verrichtingen en zijn recht op aftrek doen gelden voor zijn ingaande verrichtingen.

 

IPP Elevage de chevaux : hobby ou profession

Posted on December 27, 2018 at 6:55 PM Comments comments (0)

Jugement du Tribunal de 1ère instance de Liège du 08.03.2018 - Le requérant possède 19 box pour chevaux, 10 chevaux, dont 4 acquis en 2012, dont deux sont vendus au cours de cette même année, l’un pour 25.000 euros, l’autre pour 750.000 €. Le requérant rentre sa déclaration à l’impôt des personnes physiques pour l’exercice d’imposition 2013 dans le délai légal de l’article 305 du CIR 1992 ; il n’y déclare aucun revenu professionnel. L’ISI visite des locaux et conclut que l’activité du demandeur relève des opérations organisées, rémunératrices, au caractère répétitif, combinées à la mise en œuvre de moyens pour réaliser une occupation lucrative d’élevage de chevaux et pour le considérer comme un cavalier professionnel. Il est donc imposé et considéré comme assujetti à la TVA. Le requérant ne conteste pas investir tout son temps et son énergie à l’entrainement de chevaux. Il convient toutefois de relever que le requérant exerce cette activité à temps plein avec beaucoup de souplesse, à son domicile ou à proximité immédiate, sur des terres et dans une ferme qu’il a reçus de ses parents, avec des moyens limités et dans un esprit bien éloigné de celui de la spéculation et du but de lucre. Rien dans le dossier administratif ne permet de considérer que le passe-temps du requérant revêt un caractère de profession, notamment parce que le requérant démontre qu’il peut faire beaucoup et tirer parti de chevaux dont il s’occupe avec peu de moyens, des méthodes classiques de respect des chevaux, une structure rustique, artisanale et peu développée, presque confidentielle, voire obsolète et peu adaptée aux exigences d’une clientèle de manèges traditionnels et d’écuries de pointe requérant une gestion collective, organisée, commerciale et soutenue par le recours à la publicité et l’aide de personnel plus ou moins qualifié. Ce qui parait déterminant consiste dans le fait que le requérant couvre juste ses frais, tente dans la mesure du possible de s’autofinancer et reconnait les limites qui sont les siennes et qui ne sont pas compatibles avec ce qu’un métier et une carrière professionnelle demandent. Le tribunal relève que la détention d’un camion, fût-il personnalisé, ne fait que démontrer le transport des chevaux dont le nombre est déjà connu du Tribunal, qui n’ignore pas qu’il permet au requérant de participer à des concours. Sa pertinence s’arrête là. Il résulte de l’ensemble de ces éléments que la participation du requérant à des jumpings s’insère dans une activité privée, à la recherche de la qualité, autofinancée dans la mesure du possible, au moyen de chevaux qui sont en majorité sa propriété, soignés et entraînés chez lui, seul, de manière autonome, amateur, dans des installations peu sophistiquées, sans recherche de profit et rentabilité ni but de lucre, ce qui exclut toute imposition dans son chef. La vente isolée du cheval 'D' en 2012 à un prix exceptionnel revêt ce même caractère d’exception dans le mode de gestion mis en place par le requérant de son patrimoine privé et n’est pas de nature à modifier ces conclusions ni le fait que le requérant reste un cavalier et un éleveur non professionnel. Il s’impose d’ordonner le dégrèvement de la cotisation litigieuse, accroissements compris. Quant à la qualification d’activité économique des actes posés par le requérant sous l’angle de l’article 4 du CTVA. Même sans but de lucre, le requérant pose, on l’a dit, des actes répétés, de manière habituelle, permanente et indépendante, ce qui justifie, par identité de motifs, de l’assujettir à la TVA. Le requérant est ainsi tenu de s’identifier à la TVA, de déposer des déclarations trimestrielles à la TVA, d’acquitter la taxe relative à ses opérations à la sortie et de faire valoir son droit à déduction sur ses opérations à l’entrée.

 

Personenbelasting - Diverse inkomsten - Normale beheer van een privévermogen - Verkoop van aandelen

Posted on December 27, 2018 at 6:50 PM Comments comments (0)

Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 20.03.2018 - De aandelen die de heren T aanhielden in enerzijds de NV 'G' (100 %, of elk 50 %) en anderzijds de NV 'AB' (0,16 % of elk 0,08 %), werden bij verkoopovereenkomst van 3 mei 2010 overgedragen aan de NV 'E'. De totale verkoopprijs die werd overeengekomen tussen de partijen bedroeg 4.788.000 EUR. De heer Michel T (eerste geïntimeerde) realiseert een meerwaarde op deze verkoop ten bedrage van 2.383.539,49 EUR. Op 21 augustus 2013 verzendt de fiscale administratie aan de geïntimeerden een bericht van wijziging waarin ze de belasting aankondigt van de gerealiseerde meerwaarde als een divers inkomen in toepassing van artikel 90, 1° WIB/1992. Volgens de administratie komt deze meerwaarde integraal niet voort uit verrichtingen van normaal beheer van privaat vermogen. Het standpunt van de administratie kan niet gevolgd worden. Het begrip van de goede huisvader kan niet opgevat worden als zijnde al het ware een persoon die enkel en alleen thuis braaf zijn bestaand vermogen beheert zonder grote risico's en bijzondere kennis. Een huisvader is in deze context ook de persoon die een actief beroepsleven heeft en in eerste instantie door zijn arbeid en broodwinning zijn vermogen en welvaart opbouwt. Het normale beheer van het vermogen houdt ook in dat het erop gericht is winst te maken en groei te realiseren. De beoordeling van een bepaalde verrichting houdt in dat moet worden nagegaan hoe een normaal, voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden zou handelen. Uit niets blijkt dat de geïntimeerden als aandeelhouder of door de normale uitoefening van hun beroepsactiviteit van werkend bestuurder in hun vennootschap, hun privévermogen niet normaal beheerd hebben als een goede huisvader. De administratie dient het afgescheiden vermogen en activiteiten van de vennootschap te respecteren en dit te onderscheiden van het privévermogen van de geïntimeerden. De verrichtingen die de geïntimeerde(n) stelden als bestuurder gebeurden in naam en voor rekening van (het vermogen van) de vennootschap. Het was de vennootschap die het risico droeg. Het ontstaan van de meerwaarde was het resultaat van het succes van de activiteiten van de vennootschap. De geïntimeerden zijn erin geslaagd door hun stabiele aandeelhouderschap en hun arbeid en leiding in de schoot van de vennootschap een meerwaarde te creëren voor hun aandelen. Ook daaruit blijkt niet dat zij hun privévermogen abnormaal beheerd zouden hebben. De geïntimeerden hadden valabele zakelijke, economische, patrimoniale en familiale redenen om hun aandelen te verkopen. De geïntimeerden argumenteren dat ze bij de pensionering en wegens gebrek aan familiale opvolging zijn overgegaan tot de overdracht van de aandelen van de familiale vennootschap. Het beheer van een aandelenportefeuille is veelal als abnormaal aan te merken in de zin van artikel 90,1° WIB/1992 indien de verkoop van de participatie aan een derde kadert in een geest van speculatie. Hier waren de geïntimeerden gedurende 38 jaar eigenaar van een familiale vennootschap waarvan ze de waarde klaarblijkelijk gestaag hebben opgebouwd. Er is geen sprake van winstmaximalisatie op relatief korte termijn, noch wijst iets op het nemen van grote risico's. De administratie bewijst niet dat de verkoop door de (eerste) geïntimeerde van zijn aandelenparticipatie in het kapitaal van de NV 'G' de grenzen van het normale beheer van privévermogen overschrijdt.

 

Impôt des personnes physiques - Revenu divers - Gestion normale de patrimoine privé - Vente d�??actions

Posted on December 27, 2018 at 6:50 PM Comments comments (0)

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 20.03.2018 - Les actions que détenaient deux frères, d’une part dans la SA 'G' (100 %, soit chacun 50 %) et d’autre part la SA 'AB' (0,16 %, soit chacun 0,08 %), ont été cédées par une convention de vente du 3 mai 2010 à la SA 'E'. Le prix de vente total qui a été convenu entre les parties était de 4.788.000,00 EUR. L’un des deux frères (premier intimé) a réalisé une plus-value sur cette vente à hauteur de 2.383.539,49 EUR. Le 21 août 2013, l’administration fiscale a adressé aux intimés un avis de rectification de la déclaration dans lequel elle annonçait l’imposition de cette plus-value en tant que revenu divers en application de l’article 90, 1°, du C.I.R. 1992. Selon l’administration, cette plus-value ne provient pas intégralement d’opérations de gestion normale d’un patrimoine privé. Selon la Cour d’appel, la position de l’administration ne peut pas être suivie. La notion de bon père de famille ne peut pas se résumer à pour ainsi dire une personne qui gère uniquement et simplement chez elle bravement son patrimoine sans grands risques et sans connaissance particulière. Un bon père de famille est dans ce contexte aussi la personne qui a une vie professionnelle active et qui constitue en premier lieu par son travail en son gagne-pain son patrimoine et son bien-être. La gestion normale de patrimoine privé implique aussi d’être tourné vers le gain et de réaliser de la croissance. L’évaluation d’une certaine opération implique de contrôler comment une personne normalement prudente aurait agi dans les mêmes circonstances. Il n’apparaît nulle part que les intimés, en tant qu’actionnaires ou par l’exercice normal de l’activité professionnelle de gérant actif (du premier intimé) dans leur société, n’auraient pas géré leur patrimoine privé en bon père de famille. L’administration doit respecter le patrimoine distinct et les activités de la société et le distinguer du patrimoine privé des intimés. Les opérations que les intimés ont posées l’ont été en tant qu’administrateur au nom et pour le compte (du patrimoine) de la société. C’était la société qui supportait les risques. La création de la plus-value était le résultat du succès des activités de la société. Les intimés sont parvenus à créer une plus-value pour leurs actions par leur actionnariat stable et leur travail et leur gestion dans le cadre de la société. Il n’en apparaît pas non plus qu’ils auraient géré leur patrimoine privé de manière anormale. Les intimés avaient des raisons réelles, économiques, patrimoniales et familiales valables de vendre leurs actions. Les intimés argumentent qu’ils ont procédé à la cession des actions de la société familiale au moment de leur départ à la retraite et à cause de l’absence de successeur au sein de la famille. La gestion d’un portefeuille d’actions est souvent considérée comme anormale au sens de l’article 90, 1°, du C.I.R. 1992 quand la vente de la participation à un tiers entre dans le cadre d’un esprit spéculatif. Ici, les intimés ont été propriétaires d’une entreprise familiale pendant 38 ans dont ils ont manifestement constitué la valeur de façon modérée. Il ne s’agit pas de maximisation des profits à relativement court terme et rien n’indique la prise de gros risques. L’administration ne prouve pas que la vente par le premier intimé de sa participation dans le capital de la SA 'G' excède les limites de la gestion normale de patrimoine privé.

 

Onroerende voorheffing - Vermindering wegens improductiviteit

Posted on December 26, 2018 at 11:40 AM Comments comments (1)

Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 20.03.2018 - De appellante was de eigenares van een onroerend goed tot de verkoop ervan op 27 februari 2013. Op 26 december 2006 diende de appellante een bezwaar in tegen de aanslag in de onroerende voorheffing. In haar beslissing wees de geïntimeerde het bezwaar af als ongegrond. Volgens die beslissing was het gebouw vrijwillig improductief door het te koop te stellen en er zich van te onthouden het te huur aan te bieden. Volgens de beslissing maakt de belastingplichtige hierdoor gebruik van een persoonlijk recht en houdt hij op eigen risico de productiviteit ervan voor zichzelf. Uit de stukken blijkt dat de appellante reeds eigenaar is van de site sedert de jaren 1987-1989. Anders dat de appellante stelt werd het gebouw verhuurd tot het jaar 2004 en was het dus niet volstrekt improductief op het moment dat ze het verwierf. Naast het gegeven dat de appellante niet aantoont dat de improductiviteit bijvoorbeeld een gedwongen feit was wegens de staat van het gebouw, het gebouw onverhuurbaar was wegens de staat ervan, het niet vergund was voor verderzetting van zijn laatste activiteit en de appellante niet aantoont dat ze enige inspanning deed om het gebouw te verhuren, blijkt dat de appellante zich vanaf de jaren 2005/2006 gericht heeft op de herontwikkeling van het gebouw in samenspraak met de bvba 'T' die het gebouw, na het verkrijgen van de vergunningen en de ontmanteling, in 2013 heeft aangekocht. Het gebouw werd gedurende een zeer korte periode te koop aangeboden en vervolgens voor de bvba 'T' voorbehouden. De appellante beschikt over de vrijheid hierover te contracteren maar kan dan niet tegelijk voorhouden dat de aanhoudende improductiviteit, namelijk naar aanleiding van de uitwerking van dit plan, onvrijwillig was. De appellante heeft ervoor gekozen het gebouw te herbestemmen en te verbouwen in samenspraak met de toekomstige koper ervan. De appellante heeft het gebouw gedurende ruim 15 jaar zonder enige ernstige investering in onderhoud of vernieuwing laten uitleven en daarvan zo lang mogelijk de opbrengsten genoten om het nadien zich ongebruikt voor te behouden met het oog op de herbestemming en herontwikkeling ervan en het vervolgens te verkopen aan de koper die het proces van de herontwikkeling begeleid heeft conform diens economische perspectieven. Uit die gegevens blijkt dat de improductiviteit geen situatie was die onoverkomelijk was voor de appellante. Ze bewijst niet dat het meteen ernstige inspanningen leverde om de improductiviteit zo spoedig mogelijk te doen ophouden. De stelling van de appellante dat de onderdelen van het gebouw ondeelbaar zijn en afzonderlijk onverhuurbaar zijn, strookt niet met het gegeven dat voordien 5 woningen en een deel als muziekcentrum verhuurd was, noch met de vaststelling dat er interesse was om één winkel te huren. In die situatie kan geen vermindering van de onroerende voorheffing worden toegekend.

Gerald Driesen, belastingconsulent, conseil fiscal

 


Rss_feed