Votre divorce homologué en 6 semaines!
Uw echtscheiding op 6 weken bekrachtigd!

Mediation & Arbitration & Tax

Fast and confidential smart resolution of litigation!

Blog

Gebrek aan aangifte - minimale belastbare basis - artikel 342 3 WIB92

Posted on December 27, 2018 at 7:05 PM Comments comments (0)

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dd. 18.06.2018 - Eiseres houdt voor dat overmacht zou hebben belet haar aangifte in dienen. De aangifteplicht berust bij haarzelf en zij kan die niet afwentelen op een door haar gekozen accountant, boekhouder of andere gevolmachtigde. Terecht werd aanslag van ambtswege toegepast en terecht werd de belastbare basis van art. 342 §3 WIB92 genomen, zijnde het wettelijk minimum. Terecht werd bij reeds tweede overtreding van niet indiening van aangifte een belastingverhoging van 20% opgelegd.

 

VenB Beroepskosten

Posted on December 27, 2018 at 7:00 PM Comments comments (0)

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Luxemburg dd. 03.01.2018 - Verschillende kosten werden door de administratie afgewezen. 1. Aftrek van de kosten met betrekking tot de jachtchalet. De kosten werden gemaakt in het kader van een geschil over een jachtchalet. Die was gebouwd door de nv T. op de grond van eiseres zonder stedenbouwkundige vergunning, zodat eiseres evenals de nv T in verdenking werden gesteld. De Belgische staat beweert dat de bedragen die aan een advocaat werden betaald om zowel een boete uit hoofde van een inbreuk op een strafwet als de uitvoering ervan te vermijden, geen beroepskosten vormen.De verweerkosten die een onderneming maakt in het kader van een strafrechtelijke procedure in het kader waarvan zij dreigt te worden veroordeeld tot financiële boetes, hebben een oorzakelijk verband, zo niet met de verwerving van een belastbaar inkomen, dan wel met het behoud ervan. 2. Aftrek van kosten met betrekking tot het gebouw in Knokke. Standpunt van eiseres De kosten waarvoor de aftrek wordt gevorderd, zijn de afschrijvingen, onroerende voorheffing en kosten voor mede-eigendom. Eiseres is van mening dat het om professionele activa gaat. Het feit dat het appartement niet wordt verhuurd en dat het niet bewoond is, staat de BELGISCHE STAAT niet toe om tot een gebrek aan professioneel gebruik van het onroerend goed te besluiten. Opnieuw verwijzend naar artikel 49 WIB92 herhaalt de rechtbank dat de administratie niet bevoegd is om de (economische) opportuniteit of het (economische) nut van de kosten te beoordelen: zij kan de belastingbetaler in dit opzicht niet vervangen.In het onderhavige geval is de eisende nv een vastgoedvennootschap en hebben de uitgaven waarvan de aftrek wordt gevorderd betrekking op de onroerende voorheffing, de kosten voor mede-eigendom en de afschrijving van het gebouw. 3. Aftrek voor risicokapitaal Standpunt van eiseres Eiseres merkt op dat het een vastgoedvennootschap is die haar verschillende activa heeft verworven om ze op lange termijn rendabel te maken, dat de aangekochte landbouwgrond een bouwterrein kan worden waarop gebouwen kunnen worden opgetrokken. Volgens haar is het onjuist te stellen dat in dit geval aan de concrete voorwaarde zou zijn voldaan. Bovendien genereert landbouwgrond volgens haar huurinkomsten. In bepaalde gevallen bestaan er ook pachtovereenkomsten. Aangezien de uitsluiting volgens de administratie betrekking heeft op de activa die op geen enkele manier worden gebruikt door het bedrijf dat feitelijk door de vennootschap wordt geëxploiteerd, kan ze volgens de eisende nv dan ook niet beweren dat de verwerving van grond door een vastgoedvennootschap om die in de toekomst winstgevend te maken, vreemd zou zijn aan de professionele activiteit van de vennootschap. Bovendien genereren "houtfondsen" periodiek een bedrijfsinkomen bij de verkoop van hout op stam.Volgens de staat moeten deze goederen, omdat zij als belegging zijn verkregen en niet als investering, uit de berekeningsgrondslag worden uitgesloten op grond van hun niet-productieve karakter. Na onderzoek van de voorwaarden van artikel 205 ter, 1 WIB 92, merkt de rechter op dat er in het kader van de abstracte voorwaarde geen sprake is uitzonderlijke inkomsten en dat er in het licht van de concrete voorwaarde geen sprake is van activa die passief worden aangehouden. De eisende nv is feitelijk hoofdzakelijk een vastgoedvennootschap. Uit de stukken van het dossier blijkt echter dat het bedrijf in de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 hout heeft verkocht.Dergelijke inkomsten kunnen niet als uitzonderlijk worden aangemerkt en kunnen evenmin als passief aangehouden activa worden beschouwd. Indien de houtfondsen waarschijnlijk, althans gedeeltelijk, als belegging worden aangehouden, kan daaruit niet worden afgeleid dat ze van nature normaal niet zijn bedoeld om een ??belastbaar periodiek inkomen te genereren. Het verzoek is gegrond.

 

PB Fokken van paarden: hobby of beroep

Posted on December 27, 2018 at 6:55 PM Comments comments (0)

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Luik dd. 08.03.2018 - Eiser beschikt over 19 boxen voor paarden, 10 paarden, waarvan 4 aangekocht in 2012, waarvan er twee in hetzelfde jaar werden verkocht, één voor 25.000 euro en het andere voor 750.000 euro. Eiser dient zijn aangifte in de personenbelasting in voor het aanslagjaar 2013 binnen de wettelijke termijn van artikel 305 van de WIB 1992; hij geeft geen beroepsinkomen aan. De BBI bezoekt het pand en concludeert dat de activiteit van eiser valt onder georganiseerde, rendabele en herhaalde activiteiten, waarbij er middelen worden ingezet om een lucratieve activiteit op het vlak van de paardenfokkerij te realiseren en om hem als professioneel ruiter te beschouwen. Hij wordt dan ook belast en als btw-plichtig beschouwd. Eiser betwist niet dat hij al zijn tijd en energie investeert in het trainen van paarden. Men dient echter op te merken dat eiser deze activiteit op voltijdse basis met grote flexibiliteit uitoefent, bij of in de buurt van zijn huis, op het land en op een boerderij die hij van zijn ouders heeft gekregen, met beperkte middelen en in een geest die niets te maken heeft met speculatie of winstbejag. Niets in het administratieve dossier wijst erop dat de hobby van eiser een professioneel karakter heeft, vooral omdat hij aantoont dat hij met weinig middelen veel kan doen en voordeel kan halen uit de paarden waar hij voor zorgt, waarbij hij gebruikmaakt van klassieke methodes, een rustieke, ambachtelijke en weinig ontwikkelde structuur, die bijna vertrouwelijk is, zelfs verouderd en niet aangepast aan de eisen van een clientèle van traditionele maneges en geavanceerde stallen, die collectief, georganiseerd en commercieel beheerd worden en waarvoor reclame wordt gemaakt en de hulp van meer of minder gekwalificeerd personeel wordt ingeroepen. Wat doorslaggevend lijkt, is het feit dat eiser alleen zijn uitgaven dekt, zoveel mogelijk probeert zichzelf te financieren en zijn grenzen erkent, die niet compatibel zijn met wat een beroep en een professionele loopbaan vereisen. De rechtbank merkt op dat het bezit van een vrachtwagen, ook al is die gepersonaliseerd, slechts het vervoer van de paarden aantoont, waarvan het aantal reeds bekend is bij de rechtbank, die zich ervan bewust is dat die het eiser mogelijk maakt aan wedstrijden deel te nemen. Daar houdt de relevantie op. Uit al die elementen volgt dat de deelname van eiser aan jumpings valt onder een privéactiviteit, waarbij hij kwaliteit nastreeft en die hij zoveel mogelijk zelf financiert, door middel van paarden die voor het grootste deel zijn eigendom zijn en die hij thuis alleen verzorgt en traint, op zelfstandige basis, als liefhebber, in weinig verfijnde faciliteiten, zonder winstbejag of winstoogmerk, wat elke belasting in zijn hoofde uitsluit. De geïsoleerde verkoop van 'D' in 2012 tegen een uitzonderlijke prijs vertoont hetzelfde uitzonderlijke karakter in de manier waarop eiser zijn privévermogen beheert en is niet van dien aard dat het die conclusies zal wijzigen, noch het feit dat eiser een ruiter en een niet-professionele fokker blijft. De ontheffing van de betwiste aanslag, vermeerderingen inbegrepen, dient te worden bevolen. Met betrekking tot de kwalificatie als economische activiteit van de door eiser verrichte handelingen krachtens artikel 4 van het btw-wetboek. Zelfs zonder winstoogmerk stelt eiser, zoals gezegd, herhaalde handelingen op een gebruikelijke, permanente en zelfstandige wijze, wat rechtvaardigt dat hij wegens dezelfde redenen aan de btw dient te worden onderworpen. Eiser moet zich dus registreren bij de btw, driemaandelijkse btw-aangiftes indienen, belasting betalen over zijn uitgaande verrichtingen en zijn recht op aftrek doen gelden voor zijn ingaande verrichtingen.

 

Personenbelasting - Diverse inkomsten - Normale beheer van een privévermogen - Verkoop van aandelen

Posted on December 27, 2018 at 6:50 PM Comments comments (0)

Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 20.03.2018 - De aandelen die de heren T aanhielden in enerzijds de NV 'G' (100 %, of elk 50 %) en anderzijds de NV 'AB' (0,16 % of elk 0,08 %), werden bij verkoopovereenkomst van 3 mei 2010 overgedragen aan de NV 'E'. De totale verkoopprijs die werd overeengekomen tussen de partijen bedroeg 4.788.000 EUR. De heer Michel T (eerste geïntimeerde) realiseert een meerwaarde op deze verkoop ten bedrage van 2.383.539,49 EUR. Op 21 augustus 2013 verzendt de fiscale administratie aan de geïntimeerden een bericht van wijziging waarin ze de belasting aankondigt van de gerealiseerde meerwaarde als een divers inkomen in toepassing van artikel 90, 1° WIB/1992. Volgens de administratie komt deze meerwaarde integraal niet voort uit verrichtingen van normaal beheer van privaat vermogen. Het standpunt van de administratie kan niet gevolgd worden. Het begrip van de goede huisvader kan niet opgevat worden als zijnde al het ware een persoon die enkel en alleen thuis braaf zijn bestaand vermogen beheert zonder grote risico's en bijzondere kennis. Een huisvader is in deze context ook de persoon die een actief beroepsleven heeft en in eerste instantie door zijn arbeid en broodwinning zijn vermogen en welvaart opbouwt. Het normale beheer van het vermogen houdt ook in dat het erop gericht is winst te maken en groei te realiseren. De beoordeling van een bepaalde verrichting houdt in dat moet worden nagegaan hoe een normaal, voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden zou handelen. Uit niets blijkt dat de geïntimeerden als aandeelhouder of door de normale uitoefening van hun beroepsactiviteit van werkend bestuurder in hun vennootschap, hun privévermogen niet normaal beheerd hebben als een goede huisvader. De administratie dient het afgescheiden vermogen en activiteiten van de vennootschap te respecteren en dit te onderscheiden van het privévermogen van de geïntimeerden. De verrichtingen die de geïntimeerde(n) stelden als bestuurder gebeurden in naam en voor rekening van (het vermogen van) de vennootschap. Het was de vennootschap die het risico droeg. Het ontstaan van de meerwaarde was het resultaat van het succes van de activiteiten van de vennootschap. De geïntimeerden zijn erin geslaagd door hun stabiele aandeelhouderschap en hun arbeid en leiding in de schoot van de vennootschap een meerwaarde te creëren voor hun aandelen. Ook daaruit blijkt niet dat zij hun privévermogen abnormaal beheerd zouden hebben. De geïntimeerden hadden valabele zakelijke, economische, patrimoniale en familiale redenen om hun aandelen te verkopen. De geïntimeerden argumenteren dat ze bij de pensionering en wegens gebrek aan familiale opvolging zijn overgegaan tot de overdracht van de aandelen van de familiale vennootschap. Het beheer van een aandelenportefeuille is veelal als abnormaal aan te merken in de zin van artikel 90,1° WIB/1992 indien de verkoop van de participatie aan een derde kadert in een geest van speculatie. Hier waren de geïntimeerden gedurende 38 jaar eigenaar van een familiale vennootschap waarvan ze de waarde klaarblijkelijk gestaag hebben opgebouwd. Er is geen sprake van winstmaximalisatie op relatief korte termijn, noch wijst iets op het nemen van grote risico's. De administratie bewijst niet dat de verkoop door de (eerste) geïntimeerde van zijn aandelenparticipatie in het kapitaal van de NV 'G' de grenzen van het normale beheer van privévermogen overschrijdt.

 

Onroerende voorheffing - Vermindering wegens improductiviteit

Posted on December 26, 2018 at 11:40 AM Comments comments (1)

Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 20.03.2018 - De appellante was de eigenares van een onroerend goed tot de verkoop ervan op 27 februari 2013. Op 26 december 2006 diende de appellante een bezwaar in tegen de aanslag in de onroerende voorheffing. In haar beslissing wees de geïntimeerde het bezwaar af als ongegrond. Volgens die beslissing was het gebouw vrijwillig improductief door het te koop te stellen en er zich van te onthouden het te huur aan te bieden. Volgens de beslissing maakt de belastingplichtige hierdoor gebruik van een persoonlijk recht en houdt hij op eigen risico de productiviteit ervan voor zichzelf. Uit de stukken blijkt dat de appellante reeds eigenaar is van de site sedert de jaren 1987-1989. Anders dat de appellante stelt werd het gebouw verhuurd tot het jaar 2004 en was het dus niet volstrekt improductief op het moment dat ze het verwierf. Naast het gegeven dat de appellante niet aantoont dat de improductiviteit bijvoorbeeld een gedwongen feit was wegens de staat van het gebouw, het gebouw onverhuurbaar was wegens de staat ervan, het niet vergund was voor verderzetting van zijn laatste activiteit en de appellante niet aantoont dat ze enige inspanning deed om het gebouw te verhuren, blijkt dat de appellante zich vanaf de jaren 2005/2006 gericht heeft op de herontwikkeling van het gebouw in samenspraak met de bvba 'T' die het gebouw, na het verkrijgen van de vergunningen en de ontmanteling, in 2013 heeft aangekocht. Het gebouw werd gedurende een zeer korte periode te koop aangeboden en vervolgens voor de bvba 'T' voorbehouden. De appellante beschikt over de vrijheid hierover te contracteren maar kan dan niet tegelijk voorhouden dat de aanhoudende improductiviteit, namelijk naar aanleiding van de uitwerking van dit plan, onvrijwillig was. De appellante heeft ervoor gekozen het gebouw te herbestemmen en te verbouwen in samenspraak met de toekomstige koper ervan. De appellante heeft het gebouw gedurende ruim 15 jaar zonder enige ernstige investering in onderhoud of vernieuwing laten uitleven en daarvan zo lang mogelijk de opbrengsten genoten om het nadien zich ongebruikt voor te behouden met het oog op de herbestemming en herontwikkeling ervan en het vervolgens te verkopen aan de koper die het proces van de herontwikkeling begeleid heeft conform diens economische perspectieven. Uit die gegevens blijkt dat de improductiviteit geen situatie was die onoverkomelijk was voor de appellante. Ze bewijst niet dat het meteen ernstige inspanningen leverde om de improductiviteit zo spoedig mogelijk te doen ophouden. De stelling van de appellante dat de onderdelen van het gebouw ondeelbaar zijn en afzonderlijk onverhuurbaar zijn, strookt niet met het gegeven dat voordien 5 woningen en een deel als muziekcentrum verhuurd was, noch met de vaststelling dat er interesse was om één winkel te huren. In die situatie kan geen vermindering van de onroerende voorheffing worden toegekend.

Gerald Driesen, belastingconsulent, conseil fiscal

 

Registratierechten - Regel van de wederzijdse akten

Posted on December 26, 2018 at 7:00 AM Comments comments (0)

Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 20.03.2018 - De geïntimeerden zijn gehuwd met scheiding van goederen. Op 25 april 2014 werden twee notariële akten verleden waarbij telkens de ene geïntimeerde aan de andere geïntimeerde een schenking deed en dit voor hun respectieve vorderingen van 1.250.000,00 euro waarover ze elk beschikken op 'D' cvba. In elk van die akten staat een vergelijkbaar beding wat betreft de wederzijdse afhankelijkheid van de schenkingen. De notaris heeft de twee akten samen aangeboden bij de ontvanger van de Registratie. Deze heeft de registratie uitgevoerd en voor elk van de twee akten een registratierecht van 37.600,00 aangerekend. Met een brief van 8 mei 2014 verzocht de notaris om teruggave van de teveel betaalde registratierechten. Met een aangetekende zending van 3 december 2014 liet de directie registratie Mechelen aan de notaris weten dat op zijn verzoek niet kon worden ingegaan, in essentie omdat er hoe dan ook twee afzonderlijke akten werden geregistreerd en de regel van de wederzijdse akte volgens de termen van artikel 14 W.Reg. alleen speelt ingeval het gaat om bedingen in één en dezelfde akte. De geïntimeerden hebben wederzijds schenkingen aan elkaar gedaan die onderling van elkaar afhankelijk zijn volgens de duidelijke bewoordingen van de akten. Dat de schenkingen niet in één akte zijn opgenomen, vindt zijn reden in artikel 1097 BW. Zoals de appellant stelt, is artikel 14 W.Reg. duidelijk: de beschikkingen die onder dezelfde contractanten tot stand komen en die onderling van elkaar afhankelijk zijn, moeten om onder die bepaling te vallen in dezelfde akte staan. Er staat immers letterlijk dat het om beschikkingen gaat die in één akte staan. Voor een analoge interpretatie is hier geen ruimte. Nu artikel 14 W.Reg. niet toepasselijk is op de twee afzonderlijke akten, is volgens de wet op elk van die akten het evenredig registratierecht verschuldigd zoals door de ontvanger toegepast. De geïntimeerden voeren evenwel niet zonder reden aan dat de vraag moet gesteld worden of die wettelijke regeling wel in overeenstemming is met het grondwettelijk gewaarborgd discriminatieverbod en gelijkheidsbeginsel. De appellant erkent zelf dat er inderdaad sprake is van een onderscheid tussen enerzijds echtgenoten die ervoor kiezen om een schenking te doen via een handgift, bankgift of onrechtstreekse schenking en anderzijds de echtgenoten die ervoor kiezen om een schenking te doen via een authentieke akte. Volgens appellant is dit onderscheid redelijk verantwoord omdat de wetgever er bewust voor zou hebben gekozen om een formele schenking aan bepaalde verplichtingen te onderwerpen; zo moet dergelijke formele schenking onder andere de vorm hebben van een authentieke notariële akte, waardoor deze aan een betere bescherming is onderworpen dan een schenking in een onderhandse akte. Echtgenoten zouden bij de keuze voor een bepaalde schenkingsmethode rekening moeten houden met de voor- en nadelen van de verschillende methoden. Met die vaststelling is evenwel nog niet zonder meer duidelijk of het onderscheid voldoende redelijk verantwoordt, gelet op de aard en de doelstelling van de belasting. Het hof gaat dan ook in op de subsidiair gestelde vordering van de geïntimeerden om het Grondwettelijk Hof te vatten. Aangezien de formulering die door de geïntimeerden wordt voorgesteld, vertrekt van een aanname die deel uitmaakt van de te maken beoordeling, past het hof die formulering op dat punt aan.

Gerald Driesen, belastingconsulent, conseil fiscal.

PB Fiscale woonplaats

Posted on December 26, 2018 at 6:55 AM Comments comments (0)

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Luxemburg dd. 13.07.2017 - Eisers, die een afzonderlijke woonplaats hebben naar aanleiding van een rechterlijke beslissing, betwisten de belasting in België wegens een verblijfplaats van mijnheer in Frankrijk. De rechtbank herinnert aan de regels inzake de fiscale woonplaats zoals vastgelegd in artikel 1 van de overeenkomst tussen België en Frankrijk, en meer in het bijzonder de grensarbeidersregeling. In onderhavig geval schuift de administratie, teneinde vast te stellen dat eisers tijdens de jaren 2007 en 2012 (aanslagjaren 2008 tot 2013) een domicilie in België had, als reeks aanwijzingen naar voren, namelijk dat: - eisers op 19 april 1980 gehuwd zijn en eigenaar zijn van de woning te 6769 MEIX-DEVANT-VIRTON; - mijnheer op 21 november 2002 bij de gemeente MEIX-DEVANT-VIRTON zijn vertrek heeft laten inschrijven naar het adres te 08140 BAZEILLES, maar hij gaf zijn adreswijziging pas in december 2011 aan bij het Belgische consulaat in Frankrijk; - in een bevel van de vrederechter van VIRTON van 3 december 2012 werden de dringende en voorlopige maatregelen tot in juni 2003 vastgesteld, waaraan echter geen gevolg werd gegeven; - mijnheer heeft een levensverzekering afgesloten waarvan de begunstigde zijn echtgenote is, en de scheiding heeft niet geleid tot een wijziging van begunstigde; - tijdens de betwiste jaren stond de telefoonaansluiting van de echtelijke woonst nog steeds op naam van mijnheer; - hoewel de beschikking van de vrederechter van 3 december 2002 alleen voorzag in de betaling van onderhoudsgeld aan mevrouw, bleven de facturen met betrekking tot de levering op naam van mijnheer staan en werden ze ook door hem betaald. Eisers betwisten dat het om een reeks van aanwijzingen gaat die volstaat om het bewijs te leveren van het bestaan ​​van een domicilie in België aan de hand van ernstige, nauwkeurige en overeenstemmende vermoedens. In onderhavig geval weerleggen ze elk van de aanwijzingen die door de BELGISCHE STAAT worden gebruikt. Deze weerleggingen van de verschillende elementen, naast het feit dat ze de nauwe banden benadrukken die bleven bestaan tussen eisers in de loop van de betwiste aanslagjaren, zijn niet van dien aard dat ze de ernstige, nauwkeurige en overeenstemmende vermoedens dat mijnheer zijn duurzaam tehuis in België heeft behouden, kunnen ontkrachten. Het is inderdaad kenmerkend voor dit bewijsmiddel dat het alleen kan overtuigen indien alle elementen met elkaar worden verbonden. Bovendien beweert mijnheer, in de zin van de toepasselijke bepalingen van het verdrag, dat het centrum van zijn levensbelangen zich in Frankrijk bevond. Om het bestaan ​​van een duurzaam tehuis in BAZEILLES aan te tonen, verwijst hij naar attesten van verschillende verzekeringsmaatschappijen en overheidsinstanties. Daarnaast stelt hij dat de rudimentaire levensomstandigheden in zijn kamer in Frankrijk, zonder badkamer en / of privé-wc, een keuze zijn. Volgens de rechtspraak die de rechtbank overneemt, is de plaats waar iemand het centrum van zijn levensbelangen heeft, de plaats waar die persoon vast verblijft, waar hij de haardstede van zijn gezin en het middelpunt van zijn levensbelangen heeft (sociale, economische, culturele, politieke relaties en activiteiten, ...), waar hij een echte woning heeft en waar hij blijk geeft van het voornemen om er zich te hechten of terug te keren na lange en zelfs frequente afwezigheden. De rechtspraak die de rechtbank overneemt, is tevens van mening dat het feit dat men een klein appartement huurt in Frankrijk, er zich laat inschrijven in het bevolkingsregister, er een voertuig laat inschrijven en verzekeren, er belastingen betaalt en een onderlinge verzekering afsluit, in het licht van voorgemelde elementen niet van dien aard is dat het aantoont dat de belastingplichtige zijn domicilie daadwerkelijk naar Frankrijk heeft overgebracht, waarbij het domicilie wordt begrepen als de plaats waar hij vast verblijft, waar hij de haardstede van zijn gezin heeft evenals het middelpunt van zijn levensbelangen. De rechtbank kan alleen maar concluderen dat deze elementen, in hun geheel bekeken, een overdracht van het centrum van de levensbelangen van het echtelijke huis te MEIX-DEVANT-VIRTON naar Frankrijk, hetzij in BAZEILLES hetzij in THONNELLE, lijken uit te sluiten Ze lijken er eerder op te wijzen dat mijnheer zijn familiale, sociale en culturele banden in België heeft behouden. Hij toont hoe dan ook niet aan dat hij ze tijdens de betwiste aanslagjaren in Frankrijk zou hebben gehad en dat zijn domicilie in Frankrijk fictief was voor belastingdoeleinden. Het verzoek is ongegrond.

Gerald Driesen, belastingconsulent, conseil fiscal.

Vennootschapsbelasting - Beroepskosten - Afschrijving handelsfonds

Posted on December 26, 2018 at 6:45 AM Comments comments (0)

Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 20.03.2018 - Op 13 september 1999 ondertekenden NV Apotheek P. (als overdrager) en CVBA A. (als overnemer) een overeenkomst waarbij de eigendom werd overgedragen van de officina van de apotheek voor een bedrag van 18.400.000,-BEF. De uitbating van de apotheek werd overgedragen vanaf 1 oktober 1999 en de overnemer zou vanaf die dag in het genot treden van de zaak. Op 30 augustus 1999 ondertekenden A. (als verhuurder) en NV Apotheek P. (als huurder) een overeenkomst waarbij A. de exploitatie van de betrokken officina ter beschikking stelde aan de huurder voor een huursom van 693.750,-BEF per kwartaal, exclusief BTW. Blijkens artikel 4 van de overeenkomst werd ze aangegaan voor een periode van negen jaar, een aanvang nemende op 1 september 1999. De administratie voegde telkens een bedrag van 3.680.000,00 BEF toe aan de verworpen uitgaven, gelet op artikel 49 WIB92. De Belgische Staat houdt voor dat uit de feiten blijkt dat de voorgelegde overeenkomst inzake de huur van het handelsfonds niet met de werkelijkheid overeenstemt, omdat de huur van het handelsfonds inging vóór de overdracht ervan en omdat de term ‘beheersvergoedingen’ werd gebruikt. Er heeft dan ook geen overdracht van het handelsfonds plaatsgevonden. Het is de fiscale administratie toegelaten om aan te tonen dat er sprake is van simulatie. Het hof oordeelt evenwel dat simulatie in deze niet werd aangetoond. Het feit dat er geen economische redenen voorhanden waren voor NV Apotheek P. om de apotheek over te dragen aan A., nu die toch reeds 100% van de aandelen van NV Apotheek P. in handen had, wijst niet op simulatie. Een belastingplichtige heeft het recht om de minst belaste weg te kiezen, waarbij niet vereist is dat de door de belastingplichtige gestelde handeling de meest normale zou zijn. Er moeten geen rechtmatige financiële of economische behoeften worden aangetoond, waarom werd gekozen voor de formule van sale and lease back, zolang blijkt dat partijen hierbij geen wettelijke bepaling hebben geschonden en alle gevolgen van hun handelingen hebben aanvaard. Dat NV P. de apotheek verder bleef uitbaten na de overdracht wijst evenmin op simulatie, nu dit het gevolg is van het feit dat NV Apotheek P. het handelsfonds, na het te hebben overgedragen, opnieuw heeft gehuurd van A. Het feit dat in de facturen steeds sprake is van beheersvergoedingen en niet van huurgelden, toont de simulatie evenmin aan: er kan immers geen twijfel bestaan over het feit dat de betrokken bedragen dezelfde zijn als de huurgelden, overeengekomen in de overeenkomst van 30 augustus 1999. Het feit dat de huurovereenkomst werd ondertekend op 30 augustus 1999, hetzij vóór de ondertekening van de eigendomsoverdracht van het handelsfonds toont de simulatie evenmin aan. Uit geen enkel gegeven blijkt immers dat reeds ‘beheersvergoedingen’ werden ontvangen met ingang van 1 september 1999. Integendeel. Er kan immers worden aangenomen dat de huurovereenkomst pas is ingegaan op 1 oktober 1999, gelet op de vertraging die de overeenkomst tot overdracht van het handelsfonds had opgelopen. In het registratieattest dat op 12 juni 2001 werd afgeleverd door het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu op naam van A., wordt bovendien bevestigd dat A. eigenaar was van de betrokken officina. Het hof oordeelt dan ook dat A. als eigenaar van het handelsfonds dient beschouwd te worden en dan ook tot afschrijving ervan mocht overgaan.

Gerald Driesen, belastingconsulent, conseil fiscal.

Personenbelasting - Diverse inkomsten - Meerwaarde op gebouwde onroerende goederen

Posted on December 24, 2018 at 12:10 AM Comments comments (1)

Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 02.01.2018 - Met de bestreden aanslag heeft de geïntimeerde een meerwaarde belast van 70.437,04 EUR (hetzij 35.218,52 EUR in hoofde van elk van de appellanten) in toepassing van de artikelen 90, 10° - 101 § 2 - 171, 4°, e) WIB/1992 (tarief 16,5 %). Deze meerwaarde werd gerealiseerd op de verkoop in 2010 van twee woningen. De appellanten voeren aan dat ten onrechte de aannemingswerken die zij zelf uitvoerden niet in aanmerking worden genomen bij de berekening van de te belasten meerwaarde. Zij schatten de kost van deze eigen aannemingswerken op 425 uren (hetzij per woning circa 25 dagen werk à 8 uren) x 40,00 EUR/uur (minimale kostprijs gemiddelde geschoolde/ongeschoolde stielman cfr. Indicatieve loonschaal Bouwkroniek = 17.000,00 EUR (excl. BTW)). Daarnaast voeren de appellanten ook aan dat de geïntimeerde ten onrechte bepaalde gemaakte kosten niet heeft weerhouden als af te trekken van de verkoopprijs. In zoverre de appellanten aanvoeren dat de verplichting tot registratie van de aannemers strijdig is met het Europees recht, moet worden vastgesteld dat de werken in kwestie dan nog steeds maar voor verhoging van de verkrijgingsprijs in aanmerking komen mits zij zijn verantwoord door middel van een factuur. Dit betekent dat de werken moeten gefactureerd worden door een aannemer (al dan niet geregistreerd), wat betekent dat zowel de arbeidsprestaties als de materialen dienen gefactureerd te worden door een aannemer (geregistreerd of niet). Het artikel 101 § 2, derde lid, a WIB/1992 (in de versie van toepassing na wijziging bij artikel 78 van de wet van 14.4.2011) voorziet nog steeds in de vereiste van facturering, zodat de appellanten ten onrechte aanvoeren dat zij na wijziging van artikel 101 § 2, derde lid, a WIB/1992 bij artikel 78 van de wet van 14.4.2011 ook de niet door een geregistreerde aannemer uitgevoerde werken zouden kunnen in rekening brengen bij de bepaling van de verkrijgingsprijs. Zowel in de oude versie als in de nieuwe versie is een factuur vereist en er is dan ook geen ongelijkheid voorhanden tussen het oude en het nieuwe systeem wat de verplichting tot voorlegging van een factuur betreft, grond voor het weigeren aan de appellanten van een verhoging van de verkrijgingsprijs voor zelf uitgevoerde werken en zelf aangekochte materialen. De vordering tot veroordeling van de geïntimeerde tot schadevergoeding om reden dat de vereiste van registratie van de aannemer opgelegd door de Belgische wetgeving strijdig is met het Europees recht is ongegrond, nu zoals hoger blijkt dat de appellanten hoe dan ook niet gerechtigd zijn op de nagestreefde verhoging van de verkrijgingsprijs, los van de verplichting tot facturering door een aannemer die geregistreerd is.

Gerald Driesen, belastingconsulent, conseil fiscal.

Vennootschapsbelasting - Aftrekbaarheid als beroepskosten - Vruchtgebruik van een onroerend goed

Posted on December 24, 2018 at 12:05 AM Comments comments (0)

Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 07.01.2018 - Bij notariële akte van 5 mei 2010 werd een onroerend goed aangekocht voor een totale prijs van 207.000,00 euro. De naakte eigendom werd door MG gekocht voor de prijs van 64.170,00 euro. Het vruchtgebruik werd door de appellante gekocht voor de prijs van 142.830,00 euro. Op diezelfde datum werd een overeenkomst van vruchtgebruik opgemaakt tussen de appellante als vruchtgebruiker enerzijds en de heer G als naakte eigenaar anderzijds voor een looptijd van 20 jaar. De administratie was van oordeel dat het professioneel gedeelte van de woning slechts 10% bedroeg, als gevolg waarvan 90% van de daaraan gerelateerde en door de appellante gedragen kosten werd verworpen als aftrekbare beroepskost. Er werd ook een belastingverhoging van 10% opgelegd. Gelet op de recentste (gewijzigde) rechtspraak van het Hof van Cassatie is de vraag of bedrijfsuitgaven –of lasten aftrekbaar zijn, niet meer afhankelijk van het antwoord op de vraag of die uitgaven of lasten inherent zijn aan het maatschappelijk of statutair doel van de handelsvennootschap. Zelfs als het om kosten gaat die verband houden met een activiteit die kadert in het maatschappelijk doel, volstaat dat niet voor de aftrekbaarheid ervan. Het enkele feit dat een voordeel van alle aard door de appellante werd toegekend aan haar zaakvoerder voor het gratis betrekken van de woning door hem (en zijn gezin), volstaat niet om te besluiten dat de kosten die de appellante met betrekking tot dat onroerend goed gemaakt heeft, zonder meer aftrekbaar zijn als beroepskosten. Het hof kan slechts vaststellen dat de appellante geen enkel bewijs levert dat zij (het vruchtgebruik met betrekking tot) de betreffende woning aan haar zaakvoerder (en zijn gezin) kosteloos ter beschikking zou gesteld hebben in ruil voor werkelijk door hem geleverde prestaties. Dat het ging om een wijze om haar zaakvoerder extra te verlonen, blijkt uit niets. De appellante stelt dat zij niet akkoord gaat met die beperking van het professioneel gedeelte tot 10% aangezien geen rekening zou zijn gehouden met een aantal elementen. Op grond daarvan heeft de appellante tijdens de taxatiefase gesteld dat het beroepsmatig gebruik van de woning moest vastgelegd worden op 30%. Het hof kan nochtans slechts vaststellen dat de berekening van de geïntimeerde gesteund is op concrete vaststellingen ter plekke door de controleagent die aan verschillende feitelijke elementen een waarde heeft toegekend, terwijl de appellante geen alternatieve berekening maakt en het cijfer van de geïntimeerde niet ontkracht. Het hof aanvaardt dat het hier om een principiële betwisting gaat en scheldt de belastingverhoging kwijt.

Gerald Driesen, belastingconsulent, conseil fiscal.