top of page
Search
  • _

Bewijs beroepsmatig gebruik van een woning ter beschikking van een zaakvoerder - begroting voordeel

 

Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 27.03.2018 - De betwisting tussen de partijen heeft in de eerste plaats betrekking op de aftrekbaarheid van bepaalde door de appellante als beroepskosten aangemerkte uitgaven en lasten. De administratie verwierp onder meer een bedrag van kosten aan de woning die de appellante ter beschikking stelde van haar zaakvoerder, en die de appellante als beroepskosten aanmerkte. De appellante beoefent de geneeskunde op het vlak van de radiologie door middel van haar zaakvoerder/radioloog, die verbonden is aan een ziekenhuis, waar de activiteit van radioloog wordt uitgeoefend. Volgens de appellante wordt de woning gebruikt voor de beroepsuitoefening en heeft eiseres er haar maatschappelijke zetel. De bewijslast dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 49 WIB/1992 rust volgens het hof op de appellante. De maatschappelijke zetel van de appellante is officieel gevestigd op het adres van de besproken woning. Dit houdt voor het hof niet in dat de kosten van de woning noodzakelijkerwijze betrekking hebben op de activiteit van de appellante/vennootschap. Het is voor het hof ook niet bewezen dat de woning voor wat de besproken aanslagjaren betreft werd gebruikt voor de praktijk van de appellante (via haar zaakvoerder) als radioloog. Uit verklaringen in een strafonderzoek bleek bovendien dat in de woning geen geïnstalleerde ruimte was voor het uitoefenen van de radiologiepraktijk. De appellante voert aan dat de terbeschikkingstelling van de woning aan haar zaakvoerder een vergoeding uitmaakt voor de door deze zaakvoerder geleverde prestaties. In het kader van de op de appellante rustende bewijslast moet volgens het hof worden vastgesteld dat de appellante niet aantoont dat de terbeschikkingstelling van de woning specifiek bedoeld is als een vergoeding van de prestaties van de zaakvoerder van de appellante. Het feit dat de terbeschikkingstelling van de woning als voordeel van alle aard wordt belast in de inkomstenbelasting van de zaakvoerder van de appellante volstaat op zich niet om aan te nemen dat die terbeschikkingstelling een aftrekbare beroepskost wordt voor de verlener van dit voordeel. Het vertrouwensbeginsel (in zoverre zou komen vast te staan dat hier wel gerechtvaardigd vertrouwen werd gewekt) kan te dezen ook niet ingeroepen worden om de correcte toepassing van de fiscale wet tegen te gaan. Tevergeefs verwijst de appellante ook naar de artikelen 195 en 52.3° WIB/1992. Uit deze bepalingen is volgens het hof niet af te leiden dat de wet voorziet in een vermoeden dat de terbeschikkingstelling van een woning een aftrekbare beroepskost zou zijn. Met de bestreden aanslag werd een bijzondere aanslag geheime commissielonen gevestigd. De appellante betwist hierin de belasting van de fictieve intresten. Voor het thans in betwisting zijnde aanslagjaar worden geen kosten uit de de faillissementen van de echtgenoot van de zaakvoerder van appellante meer ten laste genomen en ook geen afschrijvingen meer geboekt, maar de gelden werden ook door de zaakvoerder van de appellante niet terugbetaald. Dit heeft tot gevolg dat op die wijze de zaakvoerder van de appellante gratis gelden van de appellante ter beschikking krijgt, wat een belastbaar voordeel van alle aard is, dat berekend werd met toepassing van artikel 18 § 3 KB-WIB/1992. Nu voor dit voordeel geen fiches werden opgemaakt zoals nochtans vereist bij artikel 57 WIB/1992, heeft de geïntimeerde onder meer op dit voordeel de aanslag geheime commissielonen gevestigd in toepassing van artikel 219 WIB/1992. De appellante voert tenslotte aan dat de berekening van het voordeel van alle aard uit ter beschikkingstelling van de woning, nl. KI x 100/60 x 2 discriminerend is, onder verwijzing onder meer naar een arrest van het hof van beroep te Gent dd. 24.5.2016. Het hof herneemt in huidige zaak deze overwegingen, en komt opnieuw tot het besluit dat in zoverre de bestreden aanslag een belasting heft op het voordeel van alle aard zoals vastgesteld volgens de regels voorzien bij het artikel 18 § 3, 2 KB-WIB/1992 (in de te dezen toepasselijke versie) in het geval waarin het onroerend goed of een gedeelte van het onroerend goed ter beschikking wordt gesteld door een rechtspersoon, strijdig is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en derhalve buiten toepassing moet worden gelaten, aldus het hof. Ook de opgelegde belastingverhoging werd door het hof behouden.

 


0 views0 comments

Recent Posts

See All
bottom of page