top of page
Search
  • _

PB Onderhoudsgeld

Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 17.04.2018 - Appellanten bekritiseren de verwerping van de aftrek van de bedragen die ze aan hun zoon uitbetaalden, daar de administratie van mening was dat het om liberaliteiten ging, daar het geldgebrek van die laatste voortvloeit uit de uitvoering van de verplichtingen die hij is aangegaan in het kader van een hypothecaire lening. Het hof analyseert de artikelen 104,1°, WIB 92 en 208 van het Burgerlijk Wetboek en merkt op dat het ongeval waarvan de zoon slachtoffer werd zich voordeed op 9 augustus 1997 en dat hij tot op 3 oktober 1997 in het ziekenhuis verbleef. Hij was gedomicilieerd te Waterloo van 11 februari 1998 tot op 9 januari 2001, datum waarop hij zich heeft ingeschreven op het adres van het huis te Braine-le-Château dat hij met zijn ouders in onverdeeldheid aankocht. Het hof merkt op dat het onderhoudsgeld pas vanaf 2001 werd afgetrokken, terwijl de zoon tussen 11 februari 1998, dus na zijn ongeval, en 31 augustus 2000, een appartement huurde waarvan de maandelijkse huur 18.200 BEF bedroeg, en voor diezelfde jaren inkomsten ontving voor een bedrag van respectievelijk 304.204 BEF en 230.177 BEF, voor de jaren 1998 en 1999. Voor de periode tussen 11 februari 1998 en 31 augustus 2000 tonen appellanten niet aan dat ze geldbedragen aan hun zoon hebben betaald, noch dat ze zijn huur ten belope van 18.200 BEF per maand volledig of deels hebben betaald. Uit die elementen volgt dat de betaling van de bedragen die werden afgetrokken als onderhoudsgeld vanaf het jaar 2001 zijn oorsprong niet vindt in de behoeftige toestand van de zoon, maar in de verkrijging door die laatste van de eigendom van een pand ten belope van 50 %.

 

0 views0 comments

Recent Posts

See All
bottom of page