top of page
Search
  • _

Vennootschapsbelasting - Aanslag geheime commissielonen

Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 15.05.2018 - Op 30.3.2010 werd 4.200.000,00 EUR door de appellante aan de N.V. 'G' betaald. De administratie beschouwt in hoofde van de appellante de betaling van 4.200.000,00 EUR als een kost die krachtens artikel 57, 1° WIB/1992 diende te worden verantwoord door middel van individuele fiches 281.50 en samenvattende opgave 325.50. Met de bestreden aanslag werd het bedrag van 4.200.000,00 EUR belast als geheim commissieloon (artikel 219 WIB/1992) aan 300%. De appellante verdedigt het standpunt dat het voormeld bedrag geen fiscaal aftrekbare beroepskost is maar een “projectkost” waarop artikel 57, 1° WIB/1992 dan niet van toepassing zou zijn. Het voormeld bedrag van 4.200.000,00 EUR werd terecht door de administratie beschouwd als commissieloon in de zin van artikel 57, 1° WIB/1992. Dit bedrag wordt uitdrukkelijk als zodanig aangemerkt in de door de N.V. 'G' uitgeschreven factuur dd. 4.3.2010. De betaling van een bepaald bedrag aan commissie kan perfect gebeuren in het kader van een dading, en dit zonder dat het bedrag in kwestie het karakter van commissie verliest. Het feit dat de rechten en verplichtingen van de oorspronkelijke partijen bij de commissieovereenkomst dd. 1.12.1993 werden overgedragen aan andere vennootschappen, heeft ook niet tot gevolg dat de op grond van die overeenkomst verschuldigde commissies hun karakter van commissie verliezen. Krachtens het artikel 219, zesde lid WIB/1992 wordt de aanslag bij deze bepaling bedoeld niet toegepast indien de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de kosten, vermeld in artikel 57, of van de voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, begrepen is in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte. Er moet worden vastgesteld dat de appellante niet het bewijs levert dat de N.V. 'G' aangifte deed in de vennootschapsbelasting in Nederland van de commissie van 4.200.000,00 EUR. Het voormeld artikel 219, zesde lid WIB/1992 kan niet worden toegepast. De appellante voert aan dat in zoverre artikel 219, zesde lid WIB/1992 niet kan worden toegepast, artikel 219, zevende lid WIB/1992 dan moet toegepast worden. Krachtens het artikel 219, zevende lid WIB/1992 wordt de aanslag bij deze bepaling bedoeld niet toegepast wanneer het bedrag van de kosten bedoeld in artikel 57 of van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, niet is opgenomen in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte, indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar. Te dezen kan niet anders dan vastgesteld worden dat de verkrijger van de commissie van 4.200.000,00 EUR op ondubbelzinnige wijze geïdentificeerd werd binnen de termijn van twee jaar en zes maanden voorzien bij het artikel 219, zevende lid WIB/1992, nl. de N.V. 'G'. De veronderstelling van de geïntimeerde dat hij “niet kan uitsluiten dat de uiteindelijke genieter(s) onder de Belgische heffingsbevoegdheid vallen “ is een zuivere veronderstelling, die geen afbreuk doet aan hetgeen voorafgaat. Simulatie wordt ook niet aangetoond. Er dient dan ook toepassing te worden gemaakt van artikel 219, zevende lid WIB/1992.

 

0 views0 comments

Recent Posts

See All
bottom of page