top of page
Search
  • _

Vennootschapsbelasting - Aftrekbaarheid als beroepskosten - Vruchtgebruik van een onroerend goed

Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 07.01.2018 - Bij notariële akte van 5 mei 2010 werd een onroerend goed aangekocht voor een totale prijs van 207.000,00 euro. De naakte eigendom werd door MG gekocht voor de prijs van 64.170,00 euro. Het vruchtgebruik werd door de appellante gekocht voor de prijs van 142.830,00 euro. Op diezelfde datum werd een overeenkomst van vruchtgebruik opgemaakt tussen de appellante als vruchtgebruiker enerzijds en de heer G als naakte eigenaar anderzijds voor een looptijd van 20 jaar. De administratie was van oordeel dat het professioneel gedeelte van de woning slechts 10% bedroeg, als gevolg waarvan 90% van de daaraan gerelateerde en door de appellante gedragen kosten werd verworpen als aftrekbare beroepskost. Er werd ook een belastingverhoging van 10% opgelegd. Gelet op de recentste (gewijzigde) rechtspraak van het Hof van Cassatie is de vraag of bedrijfsuitgaven –of lasten aftrekbaar zijn, niet meer afhankelijk van het antwoord op de vraag of die uitgaven of lasten inherent zijn aan het maatschappelijk of statutair doel van de handelsvennootschap. Zelfs als het om kosten gaat die verband houden met een activiteit die kadert in het maatschappelijk doel, volstaat dat niet voor de aftrekbaarheid ervan. Het enkele feit dat een voordeel van alle aard door de appellante werd toegekend aan haar zaakvoerder voor het gratis betrekken van de woning door hem (en zijn gezin), volstaat niet om te besluiten dat de kosten die de appellante met betrekking tot dat onroerend goed gemaakt heeft, zonder meer aftrekbaar zijn als beroepskosten. Het hof kan slechts vaststellen dat de appellante geen enkel bewijs levert dat zij (het vruchtgebruik met betrekking tot) de betreffende woning aan haar zaakvoerder (en zijn gezin) kosteloos ter beschikking zou gesteld hebben in ruil voor werkelijk door hem geleverde prestaties. Dat het ging om een wijze om haar zaakvoerder extra te verlonen, blijkt uit niets. De appellante stelt dat zij niet akkoord gaat met die beperking van het professioneel gedeelte tot 10% aangezien geen rekening zou zijn gehouden met een aantal elementen. Op grond daarvan heeft de appellante tijdens de taxatiefase gesteld dat het beroepsmatig gebruik van de woning moest vastgelegd worden op 30%. Het hof kan nochtans slechts vaststellen dat de berekening van de geïntimeerde gesteund is op concrete vaststellingen ter plekke door de controleagent die aan verschillende feitelijke elementen een waarde heeft toegekend, terwijl de appellante geen alternatieve berekening maakt en het cijfer van de geïntimeerde niet ontkracht. Het hof aanvaardt dat het hier om een principiële betwisting gaat en scheldt de belastingverhoging kwijt.

Gerald Driesen, belastingconsulent, conseil fiscal.

0 views0 comments

Recent Posts

See All
bottom of page