top of page
Search
  • _

Vennootschapsbelasting - Forfaitaire minimumwinst

Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 27.03.2018 - Er werd voor aanslagjaar 2007 geen tijdige aangifte ingediend. Om die reden vestigde de administratie een aanslag van ambtswege. Uit de BTW-aangifte bleek volgens de administratie een omzet van 1.707.929,22 EUR. Er werd toepassing gemaakt van artikel 342, §3 WIB92 en artikel 182 KB WIB92. Aldus bedroeg het belastbaar resultaat volgens de administratie 170.792,92 EUR, zonder dat hiervan beroepskosten in mindering konden worden gebracht. Er is geen sprake van een schending van artikel 342 WIB92 of van willekeur, waar de Koning voor de ondernemingen, die behoren tot de groep, zoals omschreven in artikel 182, §1, 3°, a) KB WIB92 de belastbare minimumwinst vaststelt op een bedrag van 2,5 EUR per 25 EUR omzet, met een minimum van 7.000,00 EUR per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar). Het hof oordeelt dat er kennelijk geen schending is van het legaliteitsbeginsel, zodat er geen reden is om (opnieuw) over te gaan tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Er wordt in artikel 182 KB WIB92 wel op afdoende wijze rekening gehouden met de vergelijkbaarheid van bepaalde categorieën belastingplichtigen en de verscheidenheid van andere. Er werd door de Koning aldus kennelijk geen inbreuk gemaakt op het gelijkheidsbeginsel. Het Grondwettelijk Hof heeft in een recent arrest (arrest nr.47/2016 van 24 maart 2016) geoordeeld dat alle belastingplichtigen die ambtshalve zijn belast, ongeacht of dit gebeurt op grond van de belastbare minima dan wel op een andere basis, onderworpen zijn aan dezelfde procedure en beschikken over vergelijkbare rechten. De belastingplichtige stelt dat het vereiste tegenbewijs werd geleverd aan de hand van de te laat ingediende aangifte, die volgens haar gebaseerd is op bewijskrachtige gegevens. Zo zou aangetoond zijn dat het boekjaar 2007 afsloot met een over te dragen verlies van 14.933,23 EUR. Uit onderzoek van de voorgelegde aan- en verkoopfacturen bleek dat de boekhouding van de belastingplichtige ernstige gebreken vertoonde. Het hof oordeelt, samen met de administratie dat de boekhouding niet bewijskrachtig is, vermits ze hiaten vertoont, onduidelijk is en geen betrouwbaar overzicht geeft van de verrichtingen van de onderneming. De belastingplichtige levert aan de hand van de neergelegde stukken dan ook niet het door de artikelen 352 en 342, §3 WIB92 vereiste tegenbewijs. Gelet op het ontbreken van een bewijskrachtige boekhouding werd ook geen accuraat bewijs geleverd van de vorige verliezen en van een bedrag aan overgedragen aftrek voor risicokapitaal. De door de belastingplichtige voorgehouden bedragen kunnen dan ook niet in mindering worden gebracht van het belastbaar resultaat. Het hof stelt vast dat de belastingverhoging van 20% wettig is en voldoende gemotiveerd. Het betreft in deze geen princiepskwestie, doch de loutere toepassing van het bewijsmiddel van artikel 342, §3 WIB92, waarbij in deze wordt vastgesteld dat de belastingplichtige er niet in slaagt om het vereiste tegenbewijs te leveren. De belastingverhoging betreft reeds het minimum voor een tweede inbreuk van dezelfde soort en staat in een correcte verhouding tot de gepleegde inbreuk. De verhoging is niet onevenredig, gelet op de ernst van de feiten. Er is derhalve geen reden om tot een verdere vermindering of kwijtschelding over te gaan.

 

0 views0 comments

Recent Posts

See All
bottom of page